Tip hier de redactie
Blog
Bekijk overzicht
11 June 2020
Artikel delen

100 dagen voor de klas, 100 dagen in de boksring?

Categories

Tags

    Deel dit artikel

    Wilt u belangrijke informatie delen met de redactie?

    Tip hier de redactie

    Rineke van Daalen schrijft een beschouwing naar aanleiding van het succesvolle tv-programma waarin Nicolaas Veul en Tim den Besten 100 dagen voor de klas staan.

    Scholen zijn eilanden. Ze hebben talloze verbindingslijnen met de buitenwereld, via leerlingen, docenten en al die anderen die op school hun werkterrein hebben. Maar scholen blijven werelden op zich, met een archipel van afdelingen en klassen die ieder een eigen dynamiek hebben, met een eigen vorm per leraar en per les. Wat er in klassen gebeurt is in de meeste scholen onzichtbaar, zelfs voor collega’s onderling. Des te meer is het te prijzen dat ISG Arcus in Lelystad zijn poorten voor de camera’s van de vpro heeft geopend, en twee bijzondere stagiaires Nicolaas Veul en Tim den Besten in hun klassen heeft toegelaten. Arcus maakt als school een vriendelijke indruk, met docenten die bereid zijn om als begeleiders en mentoren op te treden, en die graag een beeld willen geven van het leraarsberoep en het schoolleven in het algemeen. Allemaal zijn ze open in de beschrijvingen van hun ervaringen en in het geven van adviezen. Als Tim en Nicolaas een uitdagend filmpje op Instagram hebben gezet, loopt het niet meteen uit de hand, maar stelt de rector ze de vraag ‘Wat denken jullie dat de invloed van zo een filmpje op jullie rol als leraar is?’ Tja, daar hebben ze eigenlijk niet over nagedacht.

    Tim en Nicolaas zijn theatermakers met een aantal films op hun naam. Een daarvan is een documentaire over een verzorgingstehuis, Oudtopia. Ze gingen daar een maand logeren om te ervaren hoe het er in dat tehuis aan toe gaat. Op school doen ze iets vergelijkbaars, maar 100 dagen voor de klas wil ook een tegenwicht bieden aan het slechte imago van het leraarsberoep. Dat is overbelast en onderbetaald, en ‘soms lijken we te vergeten we hoe belangrijk leraren zijn’. Leraren leveren iedere dag een topprestatie, ze beoefenen een ‘mooi en eervol vak’, ze geven les maar zijn ook vertrouwenspersoon, luisterend oor, maatschappelijk werker. Een aantal van hen vertelt hoe belangrijk ze het vinden om de leerlingen te laten merken dat ze gezien worden.

    Tim en Nicolaas willen aan den lijve ondervinden hoe het is om zelf voor de klas te staan, de ene als leraar Nederlands, de andere als leraar geschiedenis. Andere buitenstaanders zijn hen voorgegaan, mensen die nieuwsgierig waren naar het leven op school. Zoals de Amerikaanse schrijver Nicholson Baker die een boek schreef over de 28 dagen dat hij als invaller werkte: Substitute, Going to School with a Thousand Kids (2016). Hij had daarvoor op zijn minst een middelbareschooldiploma nodig, een verklaring van goed gedrag en een korte cursus voor invallers. De twee stagiaires bereidden hun experiment voor met een spoedcursus zijinstromer. Voor alle drie geldt – zoals voor iedereen – dat ze in de klas ervaringsdeskundigen zijn. Er is geen instituut waarin volwassenen zoveel tijd van hun leven hebben doorgebracht als op school. Baker, Veul en Den Besten staan voor de klas om de buitenwereld te vertellen over hun ervaringen voor de klas, de een in boekvorm, de andere twee in een documentaire.

    Tot zover zijn er overeenkomsten tussen Veul, Den Besten en Baker, maar er zijn ook grote verschillen. Baker staat maar kort voor iedere klas, hij is een passant die alle vakken geeft – lezen, schrijven, rekenen, maatschappijleer, natuurkunde. Hij geeft les aan leerlingen die variëren van kleuter tot adolescent, en hij heeft geen enkele ambitie als leraar. Waar een gat moet worden gevuld staat hij paraat, en daardoor komt hij altijd in iemand anders routine terecht. Hij is nooit verantwoordelijk voor de opbouw van een les, noch voor de langetermijn-prestaties van zijn leerlingen, hij hoeft met hen geen langdurige band op te bouwen. Zijn verantwoordelijkheid is beperkt, hij blijft een buitenstaander. Hij moet, zo zegt hij zelf, bereid zijn om zijn eigen onvermogen te verdragen.

    Veul en Den Besten zijn een stuk jonger dan meester Baker die zelf kinderen heeft. Ze staan dichterbij de leerlingen, ze hebben ‘de leraar en de vader’ in zichzelf nog niet ontdekt. Ze voelen zich, zeker in het begin, beter thuis in de schoolbanken dan voor de klas, en veel van wat de leerlingen doen vinden ze eigenlijk wel grappig. Ze geven zichzelf de opdracht om te onderzoeken of er een leraar in hen zit. Ze staan daardoor minder ontspannen voor de klas dan Nicholson Baker. Ze zien hun leraarservaring als een vuurproef, en dat is ook de manier waarop hun begeleiders hen benaderen. Ze krijgen in alle toonaarden te horen hoe zwaar ze het zullen krijgen. Het zal niet gemakkelijk zijn, het ‘is echt een heftig vak’.

    “Verveling en krachtmeting”

    Die verschillende posities, van stagiaire en invaller, resulteren in verschillende perspectieven. Baker blijft vooral hangen aan surrealisme en verveling als belangrijke thema’s, voor Veul en Den Besten draait het om de krachtmeting tussen leerlingen en docenten, en om de vraag of ze er desondanks in slagen om een goede les te maken. Dat levert spannende televisie op, want de leerlingen proberen steeds net iets verder te gaan dan je zou denken dat mogelijk is. Het is alsof je naar een bokswedstrijd zit te kijken, en er zijn momenten dat het niet is aan te zien. De documentaire is rondom die krachtmetingen gecomponeerd. De begeleiders leren de nieuwkomers hoe ze staande kunnen blijven en het beter kunnen doen, andere docenten vertellen hoe zij zelf te werk gaan en wat hun geheim is, en de leerlingen geven tips en uiten hun kritiek. Vragen als ‘wanneer is sprake van een goede leraar of een goede les’ komen steeds terug. Met stijgende bewondering bekijken de twee nieuwkomers hun collega’s, die erin slagen om relatief ontspannen met een klas om te gaan, die de werkdruk aan kunnen; die grenzen kunnen stellen en die leerlingen daardoor ‘een veilige omgeving’ kunnen bieden, waarin ze ook ‘iets van zichzelf kunnen laten zien’. Ze brengen het moderne adagium in de praktijk: ‘relaties voor prestaties’.

    Veul en Den Besten nemen het onderwijsstelsel als gegeven en ze proberen zich daar zo goed en zo kwaad als het gaat in te voegen. Zij zien docenten, facilitair personeel en leerlingen als klankbord en als model. Ze rekenen het zichzelf aan als er iets fout gaat in hun lessen. Ze moeten het vak nog leren en daarbij speelt steeds de vraag: Kunnen we dat eigenlijk wel? Voor Nicolaas lijkt het antwoord ‘ja’, voor Tim lijkt het ‘nee’. De beelden uit de documentaire laten zien hoe hij in de loop van de tijd minder speels wordt, en hoe zijn lessen verdorren. Het blijft ‘trekken aan een dood paard’. Een enkele keer geeft hij een goede les, maar daarna valt hij weer terug in een verdrietige bokswedstrijd waarin hij alles op alles moet zetten om niet met de klas ten onder te gaan. Hoe moet je met ontregeling omgaan, zo vragen de stagiaires zich af. Hoe moet je de touwtjes in handen houden en een sfeer bouwen waarin iedereen zich veilig voelt.

    ‘I am not sure why I’m in here’, zegt een leerling, en de meester antwoordt: ‘I don’t know why I’m in here either.

    Baker wordt door heel andere gevoelens bevangen. Vooral door verbazing en medelijden. Net als de kinderen ziet hij de lengte van de schooldag als een opgave die hij soms bijna niet kan opbrengen. Hoe houdt iedereen dat vol? Hoe verdragen die leraren dat lawaai en die onrust? Ontroerend vindt hij het hoe de leerlingen zich er dag in, dag uit met humor doorheen weten te slaan. Zijn beschrijvingen van het schoolleven zijn surrealistisch, met wonderlijke, voortkabbelende dialogen zonder veel coherentie, die in een hypermodern toneelstuk niet zouden misstaan. Zoals: ‘I am not sure why I’m in here’, zegt een leerling, en de meester antwoordt: ‘I don’t know why I’m in here either.’ Baker heeft veel kritische vragen: wat doen al die leerlingen en leraren daar iedere dag, wat doet ‘het onderwijs’ hen aan? Hij ziet de lessen als scènes die zo zijn opgezet dat de regisseur er nauwelijks iets moois van kan maken. Het keurslijf van de schoolse orde belemmert leerlingen en leraren om enthousiast en actief aan de gang te gaan. Zelf staat Baker te kort voor een klas om wat dan ook te veranderen, maar hij neemt alles waar, hij zuigt alles op en noteert, en hij geeft een ontluisterend beeld van het schoolse leven. Wat een verspilling van tijd en energie, zo verzucht hij. Aan het eind van een schooldag kijkt hij terug: ‘Loud bad funny brilliant sullen blithe anxious children. If I were a real teacher, I would go completely nuts. I love them.’

    Bekijk hier het volledige artikel.

    Tags

    Deel dit artikel

    Wilt u belangrijke informatie delen met de redactie?

    Tip hier de redactie

    BLIJF OP DE HOOGTE VAN AL HET ONDERWIJSINNOVATIE NIEUWS